S.O. de Vries

Houthandel S.O. de Vries

  • Sijbold Okke de Vries (5 dec 1852 – 21 mei 1939) oprichter van het bedrijf in ….
  • Okke en Eeltsje Durk de Vries nemen het bedrijf rond 1900 over van vader.
  • Sybolt Okke, zoon van Eeltsje Durk, kwam in 1930 in het bedrijf
  • In 1962 kwamen twee zonen van Sybolt Okke in het bedrijf, Eeltsje Durk en Sipke de Vries.

In het begin van de vorige eeuw was er voor de panden Uilenburg 36 en 37 een en al bedrijvigheid. Tot 1920 was hier namelijk de mast-, blok- en pompmakerij van Sybolt Okke de Vries (1852-1939) gevestigd. Hier ligt ook de bakermat van houthandel S.O. de Vries.

Sybolt de Vries Sr., afkomstig uit Woudsend, kocht in 19e eeuw de panden Uilenburg 36 en 37. Hij had in de schuur een mast-, blok- en pompmakerij. Uit oude bewaard gebleven kasboeken blijkt dat hij ook touw, staaldraad, verf en boerengereedschappen verkocht.

Op het voorerf was het personeel van dit bedrijf, als het weer het toeliet, steeds bezig met het bewerken van hout voor masten, scheepsblokken, vaarbomen, gieken, pompen, stelen, enz. de Vries verkocht ook schaatsen onder eigen naam. De schaatshouten werden in eigen beheer vervaardigd, de ijzers werden bij een plaatselijke smid gekocht.

Zijn twee zonen, Eeltje Dirk (1888-1954) en Okke (1886-1941) kwamen in de zaak en begonnen met de verkoop van hout aan timmerlui en scheepswerven. Dit is het begin van het bedrijf met de bekende naam: Houthandel S.O. de Vries & Zn.

In 1910 wordt de houthandel verplaatst naar Zevenpelsen. Op 8-4-1922 worden huis en schuur verkocht.

Reeds eeuwen geleden was IJlst al een bloeiende industrie- en handelsstad met vele handelsbetrekkingen. Het sterke pluspunt van IJlst was namelijk haar ligging aan een groot doorgaand vaarwater: de Geeuw, overlopend in de Wymerts. Reeds in de zeventiende eeuw werd handel gedreven met o.a. Emden, Zwolle, Hasselt, Zutphen en Makkum. Uiteraard vond het transport toen voornamelijk plaats over water. Hiervoor waren (houten) schepen nodig, die ook op IJlster scheepswerven gebouwd werden. Voor de bouw van deze schepen was weer hout nodig, dat over water aangevoerd werd. Voor de bewerking van dit hout werden houtzagerijen gebouwd en er ontstonden houthandels. Een van de oudste houthandels in IJlst was die van de familie Oppedijk, reeds meer dan 3 eeuwen geleden opgericht. Ook dit bedrijf is ontstaan als leverancier voor de scheepswerven. Het bedrijf hield zich bezig met houtimport, houthandel en houtbewerking.

In het begin van de vorige eeuw ontstond houthandel S.O. de Vries uit de mast-, blok- en pompmakerij, toen nog gelegen aan de Uilenburg. De zonen van Sybolt Okke de Vries, Okke en Eeltsje Durk, zagen voor de mastmakerij geen toekomst meer, toen de schippers van zeilen op motorkracht overgingen. Zij gingen over op de houthandel, hout dat ze eerst kochten bij houthandel Oppedijk. Een belangrijke stap werd gezet in 1910, toen de Trompmolen aan de Geeuwkade gekocht werd. (Of dat er via C&A Nauta als loonzagerij hout werd gezaagd). Met behulp van de Trompmolen ontstond er toen een volwaardige houthandel, die later gevestigd werd in de vroegere hellingloodsen van Croles aan de Zevenpelsen. Het bedrijf groeide gestaag en in 1920 kocht men ook de hellingloodsen van Zwolsman.

Sybolt Okke, zoon van Eeltsje Durk, kwam in 1930 in het bedrijf. Na de crisis- en oorlogsjaren groeide het bedrijf gestaag verder uit. In 1962 kwamen twee zonen van Sybolt Okke in het bedrijf, Eeltsje Durk en Sipke. Een volgende stap werd gezet in 1972. In dat jaar werd de goede zakelijke band met houthandel Kunst in Groningen omgezet in een moeder-dochterverhouding om een sterkere positie in een veranderende markt in te kunnen nemen. In 1975 stopte Sybolt Okke de Vries als directeur en namen Eeltsje Durk en Sipke dit werk over.

Het bedrijf was gevestigd in een woonbuurt en zat natuurlijk niet op een ideale plek. Mede om die reden werden in 1979 plannen ontwikkeld om het bedrijf te verplaatsen naar het industrieterrein Roodhem. De plannen hiervoor waren in een vergevorderd stadium en subsidies leken beschikbaar. In 1980 en ook in de daarop volgende jaren verslechterde de economische situatie echter sterk; ook in de houthandel deed zich dit gevoelen. De concurrentie werd groter en de noodzaak tot schaalvergroting ontstond. Door de verslechterde situatie in de bouw en de weinig rooskleurige vooruitzichten op dat moment werden subsidies voor bedrijfsverplaatsing niet toegekend. Hiermee was verplaatsing van het bedrijf van de baan. Achteraf een cruciaal moment. Was het bedrijf toen wel verplaatst, dan was het zeker voor IJlst behouden gebleven.

In 1985 kwam een fusie tot stand met Oberman en Banga & Raadsma te Dokkum. Deze combinatie ging verder als Kunst-Oberman, met vestigingen in Groningen, Dokkum en IJlst. In 1988 werd het besluit genomen om in Friesland één bedrijf te stichten en wel in Heerenveen. Dit besluit, dat vertrek uit IJlst betekende, werd weloverwogen genomen. E.D. de Vries was toen directeur van zowel de vestiging IJlst als van Dokkum. Al snel werd duidelijk dat op afstand van ca. 60 km hetzelfde werk werd gedaan. Vrachtauto’s van beide vestigingen kwamen elkaar onderweg tegen. Kortom, een inefficiënte wijze van werken. Hoe dit probleem op te lossen. In Dokkum stond een prachtig bedrijf, maar het lag excentrisch. Het bedrijf in IJlst lag midden in de bebouwing. Op basis van een gedegen marktonderzoek werd uiteindelijk besloten een nieuwe vestiging te bouwen in Heerenveen, waarvan toen al de verwachting bestond dat het de plaats was waar ‘het’ ging gebeuren, en waar bovendien een prachtige zichtlocatie kon worden betrokken. Bovendien ligt Heerenveen centraal ten opzichte van het afzetgebied, dat bestaat uit Friesland, de kop van Overijssel, de polders en een stukje van de Veluwe. Overigens had de heer de Vries zelf voorkeur voor vestiging in Sneek, omdat het bedrijf dan voor de regio behouden zou blijven.

Deze ingrijpende beslissing werd met pijn in het hart genomen. Zowel in IJlst als in Dokkum was sprake van reeds lang bestaande bedrijven. Vertrek uit deze plaatsen was niet alleen moeilijk voor het personeel, maar ook voor de plaatsen zelf en de gemeenten. Van het IJlster personeel is zo’n 90 tot 95% meegegaan naar Heerenveen. Slechts een enkeling haakte af. Later is ook het personeel van Oppedijk naar Heerenveen verhuisd, op vijf man na, die in Sneek werden geplaatst.

De naam van het bedrijf werd nadien veranderd in Houtgroep Nederland. Ook Oppedijk ontkwam niet aan schaalvergroting. Het bedrijf ging eind jaren tachtig deel uitmaken van de Koninklijke Houthandel Eecen B.V. te Oudkarspel. Sinds 1 januari 1998 is ook de vestiging in IJlst verdwenen.

De schaalvergroting zette zich echter voort. Twee jaar eerder fuseerden Houtgroep Nederland en Koninklijke Houthandel Eecen B.V., waaruit Houtgroep Eecen Nederland ontstond. Deze nieuwe onderneming werd de ‘moeder’ van Oberman Oppedijk (houthandel) en Houtconstructie Nederland (prefabelementen) in Heerenveen. In deze plaats zijn nu alle hoofdactiviteiten in het noorden geconcentreerd.

Door deze fusie werd Eeltsje Durk de Vries tevens directeur van Oppedijk. Oppedijk wilde graag in IJlst blijven en had bij de overname gewezen op een traditie van drie eeuwen houthandel in IJlst. Het bedrijf had hier in verkleinde vorm (als afhaalcentrum) kunnen blijven, maar de ligging in de woonbebouwing en de gedeeltelijke verkoop van het terrein maakten dit onaantrekkelijk. Verplaatsing naar het industrieterrein Roodhem bleek niet mogelijk. De gemeente Wymbritseradiel kon bovendien geen goede zichtlocatie bieden. Daarom werd besloten in Sneek een afhaalcentrum van 2000 m² te bouwen. Dit verkooppunt werd eind augustus 1998 geopend.

In de afgelopen decennia heeft hij grote veranderingen meegemaakt. De laatste vijftig jaar van de vorige eeuw veranderde er meer in de houthandel dan in de circa 300 jaar daarvoor. In zijn begintijd werd hout nog per binnenschip en coaster aangevoerd. De lading werd met de hand geladen en gelost. Voor schepen die IJlst binnenvoeren, moest eerst naar de waterstand worden gekeken. Was die te laag, dan werd de deklading in Sneek gelost en per vrachtwagen naar IJlst vervoerd.

Het ging ook wel eens mis: zo kwam een houtschip vast te zitten in de Oppenhuizerbrug in Sneek en ook eens in de brug bij IJlst. Per schip werd destijds maximaal 400 à 500 ton hout aangevoerd. Later werden de schepen groter en vervoerden zij circa 2000 m³ hout per keer. Deze schepen konden IJlst niet meer bereiken en werden daarom gelost in Harlingen, waarna het hout per vrachtwagen naar IJlst werd vervoerd.

Later werdt per keer circa 8000 m³ hout aangevoerd naar de haven van Delfzijl. Daar werden de pakketten op de terminal opgeslagen en geleidelijk naar Heerenveen vervoerd.

In de beginperiode werden ook vrachtwagens met de hand geladen en gelost; later namen vorkheftrucks dit werk over. Ook de schaverij werd regelmatig gemoderniseerd en het kantoor stapte over op computers. Het waren stuk voor stuk interessante ontwikkelingen.

Houthandel Oppedijk en Houthandel S.O. de Vries samen dat had niemand kunnen vermoeden. Beide bedrijven waren jarenlang buren én concurrenten. De onderlinge verstandhouding was niet altijd optimaal. Na de Tweede Wereldoorlog verbeterde de situatie. Zo reed de directeur van het filiaal van Oppedijk in Sneek samen met de S.O. de Vries op de motor langs klanten. Ze reisden samen, maar bezochten ieder hun eigen klanten.

In de laatste jaren waren de verhoudingen goed. Men beconcurreerde elkaar niet op een oneerlijke manier. Tijdens en na de fusie werkten de Vries en de directeur van Oppedijk, de heer Zeilstra, uitstekend samen om beide bedrijven – ieder met een eigen cultuur – te integreren.

error: Beschermd!