De heer Hessel Bosma uit Sneek heeft onderzoek gedaan, rond 2013, naar de vroegere scheepsbouw in lJlst en dan met name naar de scheepsbouwfamilie Holtop.
“De scheepsbouw van smakken, jachten, schuiten, praamen en andere vaartuigen is te lJlst meer bloeiend dan in enige Friesche Stad. Elken dag, het gansche jaar door, wordt een afgeleverd.”
Bovenstaande tekst van 30 juli 1747 werd door dr. G.A. Wumkes opgenomen in zijn Stads- en Dorpskroniek van Friesland (1700–1800). Hij nam deze tekst echter niet, zoals vaak wordt gezegd en geschreven, over uit de Leeuwarder Courant. Dat is onjuist; hij ontleende deze informatie aan andere archieven. Op zichzelf is dat niet erg, want het doet geen afbreuk aan de historische feiten.
Dat een dergelijke onjuiste bronvermelding ook elders voorkomt binnen de wereld van de oude scheepsbouw, is minder fraai. In dit artikel richten wij ons op de schepen en hun bouwers, en dan met name in IJlst. Daarbij gaat het specifiek om de periode na het hierboven aangehaalde fragment van dr. Wumkes, tot aan de tijd waarin veel scheepsbouwers de overstap maakten van houtbouw naar ijzerbouw.
In de periode van de houten scheepsbouw werden grotere schepen voorzien van een zogenoemd brand- of ijkmerk. Dit diende als een vorm van registratie. Voor deze vaartuigen moest belasting worden betaald in de vorm van het patentrecht. Een voorbeeld hiervan is een wachtscheepje (boeier) dat, voor zover bekend, in IJlst werd gebouwd en voorzien was van het brandmerk …

De 4 stond voor het volgnummer, dus naar alle waarschijnlijkheid het vierde schip dat de ijkmeester dat jaar gemerkt had. Maar of dat alleen op lJlst van toepassing was, of voor een grotere regio is nog niet geheel duidelijk.
De leeuwenkop geeft het officiële tintje met de leeuw of leeuwenkop als Rijksmerk. De 0 is de jaarletter voor 7848 (sommigen zeggen 1843). De Y is het bijzondere merk van de ijkmeester / scheepsmeter. Voor mijn gevoel heeft dit merk alleen betrekking op schepen die in lJlst geijkt zijn en dus waarschijnlijk ook daar zijn uitgehaald,
maar ook dit is nog niet geheel duidelijk. 19 is het maximum aantal tonnen / gewicht datvervoerd kon en mocht worden.

Deze Boeier de’Tjet Rixt” bestaat nog en is eigendom van het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen, maar heeft de laatste jaren meestal zijn ligplaats in Grou. Deze boeier zou gebouwd zijn door Eeltje Teerdzes Holtrop, maar dit is een toeschrijving, en dus niet aantoonbaar. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt om te weten te komen en de daaruit voortkomende vraag te kunnen beantwoorden:
” Waar heeft Eeltje Teerdzes Holtrop het vak geleerd.”
Hij was uiteindelijk maar een gewone boerenjongen uit Haskerdijken. Eeltje was geboren in 1768 of 69 in Haskerdijken, een buurtschap tussen Heerenveen en Akkrum, op één van de boerderijen bij de daar nu nog staande kapel (ook zijn grootouders van vaderszijde waren daar destijds boer). Zijn vader en moeder waren Teerdse Wytzes en Trijntje Eeltjes Holtrop. Eeltje Teerdzes lijkt dus vernoemd te zijn naar zijn moederszijde:
“Holtrop”, zo tot nu ook altijd wordt gezegd en geschreven. Maar zijn vader Teerdse Wytzes was ook een Holtrop. Dus kunnen we voortaan het vernoemen naar moederszijde wel enigszins vergeten. De vader van moeder Trijntje was houtbewerker / wagenmaker Holtrop in Beetsterzwaag. Moeder Trijnde had o.a. ook een zuster Wytske, maar die komen we straks nog wel tegen ook in lJlst. Eeltje zal vast wel eens bij grootvader in
Beetsterzwaag in de timmerschuur om gestruind hebben en zo iets geleerd te hebben van het houtbewerkersvak.
In 1784, wanneer Eeltje 15 jaar is, komen we hem tegen in IJlst. In die tijd had IJlst nog verscheidene hellingen / werven. Over een bestek van dertig jaar noem ik hier enkele, die ik al zoekende tegenkwam:
- in 1783: Cornelis Rijmers
- in 1785: Sijmen Hessels
- in 1791: Tjeerd Sijmons (v.d. Meulen)
- in 1791: Douwe Pieters
- in 1800: Jelle Pieters Croles
- in 1807: Alle Broers
- in 1808: Tjamke Takes
- in 1811: Sibble Wytzes Hoekstra
- in 1811: Eeltje Teerdzes Holtrop
- in 1812: Cornelis Luitjens Nijdam
- in 1812: Pieter Foppes Hinlopen
In 1811 was Eeltje Teerdzes Holtrop al als zelfstandig scheepsbouwmeester werkzaam en had, zo bij zelf in een akte verklaart, gewerkt op de helling van de hiervoor genoemde Tjeerd Sijmons van der Meulen.
Tjeerd Sijmons was gehuwd met Wytske, de zuster van Eeltjes moeder! Eeltje moest dus oom zeggen tegen Tjeerd Sijmons, die een scheepshelling had en daarnaast ook eigenaar was van de Rogmolen aan de Geeuw in IJlst. Deze Rogmolen stond daar waar nu – de naam zegt het al – de Rogmolewei is en waar nu de werf van Ten Woude is en het waterbouwbedrijf van Stienstra & van der Wal. Ook was, als we de nummering volgen en deze ook mogen geloven in de belastingboeken, de helling vlak bij de Rogmolens Polle; er zat maar één nummer tussen, dus… In 1783 biedt Tjeerd Sijmons de Rogmolen te koop aan en zo komen we in dezelfde belastingboeken in 1785 ene Aene Jants tegen als eigenaar van de molen.
Tjeerd Sijmons heeft zich hierna nog enkele jaren bezig gehouden met de scheepshelling / werf, want zo de al genoemde verklaringstekst van 1811 vermeldt, is op deze helling de tjalk “de Vrouwe Bregtje” uitgehaald. Deze verklaring wordt bevestigd en ondertekend door de scheepstimmerbazen Cornelis Lutjens Nijdam en Eeltje Teerdzes Holtrop, welke laatste hier in verklaart: “Daar nog aan deze tjalk op de werf van Tjeerd Sijmons v.d. Meulen te hebben gewerkt.” Misschien, maar dat weten we niet, heeft Eeltje Teerdzes Holtrop de helling aan de Geeuw overgenomen van zijn oom Tjeerd Sijmons. Wel weten we van aantekeningen uit het Rijksarchief in Fryslân (Tresoar) dat Eeltje Teerdzes Holtrop in 1806 een huis en timmerschuur koopt op Pompaburen van Wytske Eeltje Holtrop, weduwe van Tjeerd Symon v.d. Meulen. Heeft Tjeerd Sijmons zijn helling na 1785 verplaatst naar de Zevenpelsen of was er sprake van een dependance…? Zeker is, dat Eeltje Teerdzes een helling op Zevenpelsen aan de Vaart had tot 1848, want in dat jaar overlijdt Eeltje Teerdzes en dan neemt zijn kleinzoon Eeltje Holtrop Sytszes van der Zee, die al bij zijn grootvader werkte, het roer over. Uit de boeken van deze helling kunnen we nog veel vinden, maar niet of hij ook nog aan de Geeuw zijn helling heeft gehad. Alles, wat er aangetekend is, is niet altijd duidelijk, alleen al om de schrijfwijze, zoals de “frissismen”, die er vaak in voorkomen. Wij nemen o.a. aan dat een schip naar Blokzijl geleverd moet worden, maar ik kan het ook zo lezen dat hij gebouwd moet worden naar het Blokzijlermodel. Zo moet er ook een vissersboot gebouwd worden: “na Kootstertille”. Moet deze boot geleverd worden aan iemand in Kootstertille of is de opdracht om hem te bouwen zoals de helling daar van Van der Werff het gewend was te doen. En wat is het “Klawierwerk”, waar deze boot mee afgeleverd moet worden. Was dit een specialisme van Van der Werff? We weten veel maar er blijven ook nog vele vragen onbeantwoord en zo wordt er ook te vaak nog een schip “toegeschreven” aan deze helling van de Holtrops, die ongetwijfeld mooie schepen heeft gemaakt, maar dat bewijst niets. Al vaak krijgt men zo de gedachte, dat andere hellingen geen mooie schepen konden bouwen, maar vergeet dat maar… Folkert Nicolaas van Loon, de befaamde ontwerper, onderzoeker en schrijver van over schepen, heeft in zijn tijd (1775-1840) dit gelukkig ook wel laten weten. In 1856 koopt “Eeltsje Baes” – de kleinzoon – een helling in Joure, waar hij in 1857 naar toe gaat. De helling op Zevenpelsen in IJlst wordt overgenomen door de toen 24-jarige Albert Sjoerds de Jong. Albert Sjoerds was een zeer stellig man, wat ook wel blijkt uit zijn uitspraak: “Hout drijft, en IJzer drijft niet”. Albert Sjoerds werkt hier op Zevenpelsen tot 1904, maar woont dan al in Sneek.

Deze Albert Sjoerds de Jong zijn grootvader, Gerben Sjoerds, was een broer van Eeltje Teerdzes zijn vrouw Elbrig Sjoerds. En nu we dan toch bezig zijn om de IJlster scheepsbouwfamilies aan elkaar te knopen kunnen we nog melden, dat Eeltje Teerdzes Holtrop zijn moeder een dochter was van Trijntje Gjalts Nijdam en Wytze Sipkes Holtrop, die we al eerder tegenkwamen als de pake en beppe (grootvader en grootmoeder), die boerden bij de Kapel te Haskerdijken. Ik hoop met dit verhaaltje enkele vragen opgelost te hebben en de vele niet in de literatuur genoemde hellingbazen een beetje naam te hebben gegeven.

Op de nog niet opgeloste vragen hoop ik nog eens een antwoord te vinden of te krijgen. Zo te zien moet er hier en daar nog wel iets “gebreeuwd” worden.
Hessel Bosma (2013).



