Geschiedenis

Ontstaan rond het jaar 1000, stad in 1268.
IJlst is ca. 1000 na Chr. ontstaan, rond de Ilostins of Ylostins, op een knooppunt van waterwegen: de Geau en de noord zuidroute tussen Middelzee en Zuiderzee (Tacozijl). De stad lag nabij de zuid-oever van de Middelzee, die Ooster- en Westergoo scheidde, aan de monding van de Ie, die voor de afwatering van Zuidwest Fryslân naar de Middelzee zorgde (Strootman, 2009).
Door de aanleg van de Hemdijk in het noorden werd IJlst een plaats voor overslag, nijverheid en handel.

In 1268 krijgt IJlst stadsrechten en in 1379 volgen marktrechten. Er ontstond een overslagplaats voor boter, kaas, vlees en huiden. Er is een weekmarkt (op maandag) en twee jaarmarkten (op pinkster maandag en op 3 en 4 september). Jac. P. Thijsse noemt IJlst “misschien de kleinste en wonderlijkste stad van Nederland of van de gehele wereld” (Verkade-album Friesland 1921).

een uitsnede van de kaart van Sibrandus Leo uit 1579

Het oudste deel van IJlst is waarschijnlijk op een ophoging gebouwd met grond uit de Ie en Dijgreften, gezien de lage ligging op ca 0,75 m -NAP. Er was tot in de winter van 1966 water overlast, toen enkele rijen huizen in een enorme watervlakte het beeld bepaalden. IJlst had geen uitgebreid verdedigingswerk nodig, omdat het als het ware op een eiland lag. Wel moesten de vaarwegen verdedigd worden. In de 17de eeuw gebeurde dat in de Geau, It Sou en de Tsjerkesleat door aan weerskanten verticaal bomen in de grond te drukken. Hier tegen werd ‘s avonds of in spannende tijden een drijvende boomstam gelegd. Na zo een slagboomconstructie volgde een tweede en een derde, waarbij de verticale bomen steeds verder naar het midden van het water werden geplaatst. Hierdoor ontstond een soort fuik. Die fuiken waren ook de geschikte plekken om tol te heffen. (bron: Leeuwarder Courant 13 okt. 2006).

Midden 13de eeuw is er sprake van de vestiging van een Ee heer in de Ylostins aan de Ee tegenover de kerk. De Ylostins omvatte een uitgebreid ommuurd gebouwencomplex met een forse hoge woontoren van tufsteen met één ruimte per verdieping. De eerste Ee-heer was een van Harinxma, hij was bestuurder/rechter van de stad en de omliggende Grietenij. In 1798 zijn de laatste resten van de stins verdwenen. Er waren nog enkele andere stinsen, o.a. de Hettingastins op de plaats van de huidige NH kerk, de Galamastins achter het voormalige stadhuis en de Rispensstins van gedeputeerde en ook burgemeester Schelto Rispens aan het einde van de Uilenburg. Dichtbij IJlst voert de Nyesyl (schutsluis) naar het binnendijkse land, naar Bolsward en Franeker.

In 1339 wordt een dependance van het Karmelietenklooster uit Woudsend gevestigd bij de Sint Mauritiuskerk, op de plek waar nu de begraafplaats ligt aan het Cloosterkampje. De Ylostins en de kerk waren door een ophaalbrug met elkaar verbonden en omringd door een muur en gracht. In 1572 wordt het klooster verwoest door een geuzenbende. IJlst was een van de 62 plaatsen in Fryslân die ca. 1566 (beeldenstorm) tot de reformatie overgingen.

In 1664 vermeldt Schotanus de volgende weekveren: (bootdiensten).

  • vrijdag: een kaeg op Amsterdam
  • dinsdag en vrijdag: een schip op Leeuwarden
  • maandag: een schip op Joure
  • woensdag: een schip op Balk
  • donderdag: een schip op Workum
  • alle dagen 2x een schip op Sneek, 1x op Hoorn en Deventer

De stad groeit naar het noorden.
Op oude kaarten (o.a. Nicolaas Geelkerken 1615 -zie blz. 8) is de structuur van de stad te zien. De Ie met aangrenzende woningen en diepe achtertuinen aan weerskanten omsloten door de Dijgreften. De linden stonden ook in de 17de eeuw al langs de Ie, toen niet als leilinden gesnoeid. De landjes tussen de Dijgrachten en rijen woningen zijn meest in agrarisch gebruik. De overtuinen hadden aanvankelijk een bedrijfsbestemming, werden later bleken en toen tuinen. De boerderijen lagen in de stad, met een plank (houtje) over de smalle Dijgreften waren ze met hun land verbonden. De hooibergen stonden op het achtererf. De Hemdijk (nu Pikedijk, Skerdijk) ten noorden van de stad was de enige wegverbinding. Gaandeweg verschoof het economisch zwaartepunt van de stad in noordelijke richting, de Ie werd steeds meer een stil water, al in de 19de eeuw werd het zuidelijk stadsdeel het “deade ein” genoemd.

IJlst had een boterwaag op de plaats van de latere openbare lagere school met een overkapping tot over de weg, naast het stadhuis. De Koemarkt, gestart in 1783 op terrein van de Hettingastins, lag naast de huidige hervormde kerk. Dat is nog herkenbaar aan de daar twee dwarsgeplaatste huizen. Het was een verhard terrein, omkaderd door huizen aan de zij- en achterkant en een koepoort aan de achterzijde. Er waren ca. 300 runderen op zo een markt.

Houthandel en scheepsbouw
In de 14de/15de eeuw is de grootste bloeiperiode, er is houthandel met Duitsland en Scandinavië, houtbewerking en scheepsbouw. De houthandel concentreerde zich aan de Wiiddraai. Een bekend IJlster scheepstype was de kogge (stadswapen). IJlster schippers voeren daarmee naar de kustgebieden van de Atlantische oceaan en de Noord- en Oostzee en waren ook betrokken bij de walvisvaart. Het bestuurs- en marktcentrum lag in de 15de eeuw ter hoogte van de huidige Kerkebrug. Aan het eind van de Middeleeuwen, verloor de stad zijn positie als markt- en handelsplaats aan Sneek, maar bleef centrum voor houtbewerking en scheepsbouw. Oorzaak was de geleidelijke inpoldering van de Middelzee. De belangrijke scheepvaart verbindingen verplaatsen van It Sou naar De Wimerts (Reden gevende beschrijving 1985 RCE). In de 17de en 18de eeuw zijn de scheepvaart en scheepsbouw grondslag voor het economisch leven in de stad. Men bouwde ook schepen voor Holland en Utrecht. Het hout kwam uit Duitsland en Scandinavië. De stad groeit langs de oevers van de Wiiddraai en de Geau. De bekendste houthandel werd in 1779 opgericht: wed.W.J. Oppedijk met 5 vestigingen in IJlst, Sneek, Den Haag en Amsterdam. Een concurrerend familiebedrijf aan het begin van de 20ste eeuw was de houthandel van S.O. de Vries. In 1860 waren in IJlst drie houtzaagmolens, in 1890 nog maar één. In de Franse tijd kwam de overzeese handel stil te liggen. Na het vertrek van de Fransen in 1830, kwamen scheepsbouw en handel niet meer op het vroegere niveau terug. Midden 19de eeuw is er een nieuwe impuls van de IJlster scheepsbouw t.b.v. transport van turf en teelaarde. Na enkele decennia was dit weer over, omdat de turfgraverij eind 19de eeuw terugloopt. Eind 19de eeuw komt de staalbouw op, maar de IJlster werven maakten deze overstap te laat. De werf van Lantinga bleef in hout bouwen, nu voor de recreatievaart. In 1885 resteren nog drie scheepswerven en in 1930 nog twee.

Bedrijvigheid
In de 18de eeuw telde IJlst ongeveer 1000 inwoners, in 1859 zijn het er 1468, in 1960: 1540, dus maar een trage groei.Voor de winkelnering in IJlst was het drukke scheepvaartverkeer van veel belang. In 1909 werd in 103 van de 360 woningen nering gedreven! Het wemelde van de kleine winkeltjes. Voort komend uit de scheepsbouw ontwikkelde zich de schaats- en gereedschapsindustrie. Vanaf 1865 is de schaatsfabriek van Jentje Nooitgedagt in bedrijf.
In 1911 starten de gebr. Bakker met de fabricage van Amerikaanse windmotoren, aanvankelijk als agent van een Amerikaanse fabriek, maar al gauw ontwikkelden zij een eigen model. In de jaren ‘70 van de vorige eeuw treedt er een schaalvergroting op in de houthandel. De houtbewerking bleef nog even: schaatsen, timmergereedschap, hakblokken, speelgoed, enz.
Deze activiteiten zijn nu verdwenen.

Afbreken en opbouwen
De Mauritiuskerk werd in 1828 afgebroken en de Waag in 1832. In 1830 werd de veemarkt opgeheven. Tussen 1830-’34 werd het uiteinde van de Geau versmald en werd de Eastelike Dijgreft verlegd om ruimte te maken voor aanvullende woningbouw. Langs de Ie worden de overtuinen verbreed en het water versmald. In 1859 wordt het stadhuis herbouwd, centraal gelegen. In 1885 wordt de spoorlijn Sneek-Stavoren geopend, IJlst krijgt een station dat de stad met de rest van de wereld verbindt. Het oude stationsgebouw is in 1939/‘41 gesloten en in 1954 afgebroken. Tot in de jaren ‘50 verzorgde het beurtschip Johanna Jacoba een dagelijkse verbinding met Sneek, het aantal passagiers nam geleidelijk af. Na 1945 is het aantal huizen met 50% toegenomen, maar het aantal inwoners bleef praktisch gelijk. In 1950 werd de recent (rond 2005) weer gesloopte overkluizing over de Ie bij Nooitgedagt gebouwd, 60m breed met parkeerplaatsen erop. In 1965 is de Zuidwesthoekweg aangelegd langs het spoor, in 1968 de Sudergoweg. IJlst was nu vanuit alle windrichtingen over land bereikbaar.

Ontwikkeling van de recreatie
De recreatie begon zich na de tweede Wereldoorlog te ontwikkelen In 1960 kwam bij camping de Uitkijk een kampeerschip te liggen, de Baltic, geschikt voor 50 gasten. In 1961 vestigde zich een zeilschool voor 60 personen, in de voormalige pastorie van de gereformeerde kerk aan de Zevenpelsen. De bakker en kruidenier op de hoek van de Stadslaan profiteerden van alle watersporters. De watersport nam een enorme vlucht in de jaren ‘60 en ‘70. Het Friese Merengebied profiteerde daarvan. In 1969 waren er in Fryslân 1,9 miljoen overnachtingen. IJlst kreeg hiervan ook een aandeel. Zo zorgden het hotel, hotelschip en de drie zeilscholen in 1970 voor ruim 11.000 overnachtingen (bron: RUG Groningen, D.Kuipers: IJlst en Sloten in heden en verleden, 1979). Sindsdien is het aantal overnachtingen in heel Fryslân aanzienlijk toegenomen, in IJlst nam het juist af o.a. door het verdwijnen van het hotelschip en de zeilscholen.

Ontstaan van de gemeente Wymbritseradiel
De gemeente Wymbritseradiel is ontstaan door een wet van 6 juli 1983. Op 1 januari 1984 werd deze nieuwe gemeente officieel gevormd. Dit gebeurde door het samenvoegen van de gemeenten IJlst en Wymbritseradeel. Ook kwamen er delen bij van de gemeente Doniawerstal (zoals Koufurderrige en Smallebrugge) en het dorp Greonterp, dat eerst bij Wonseradeel hoorde. Tegelijk gingen sommige dorpen juist naar andere gemeenten. Nijhuizum ging naar Nijefurd. De dorpen IJsbrechtum, Loënga en Offingawier werden bij Sneek gevoegd.
Omdat IJlst en Wymbritseradeel ieder hun eigen gemeentehuizen hadden, moest er een nieuwe plek komen voor het bestuur van de nieuwe gemeente. Daar werd al vóór 1983 over nagedacht. In 1980 werd er onderzoek gedaan naar een goede locatie. Toen de wet eenmaal was goedgekeurd, waren de plannen al klaar: de architect was gekozen en de bouwplek was bepaald. Op 2 januari 1984 besloot de nieuwe gemeenteraad dat IJlst de vaste plaats van het gemeentehuis zou worden. In 1984 werden de laatste voorbereidingen gedaan. In 1985 begon de bouw. Op 20 juni 1986 werd het nieuwe gemeentehuis in gebruik genomen. De officiële opening was op 4 september 1986, en veel mensen kwamen kijken. Het nieuwe gebouw zorgde voor een betere werksituatie, omdat de diensten eerst op vier verschillende plekken zaten (in Sneek, Oppenhuizen en IJlst). Ook kwam hiermee een einde aan ongeveer 15 jaar van veranderingen in de Friese gemeenten.
Sinds 1 januari 1986 heeft de gemeente ook officieel een Friese naam: Wymbritseradiel.
De oude gemeenten IJlst en Wymbritseradeel hebben natuurlijk een langere en rijke geschiedenis.

Gemeente Súdwest-Fryslân 2011
De samenvoeging in 2011 van de gemeenten Bolsward, Nijefurd, Sneek, Wymbritseradiel en Wûnseradiel tot de gemeente Súdwest-Fryslân.

error: Beschermd!